Onze blonde dochter noopt mij tot maatregelen die ik normaliter niet eens als mogelijkheid zou overwegen. Sinds kort zijn er voetbalwedstrijden op ons terras in de achtertuin. Ik noemde het eerst een lunch al fresco. Nou mooi niet. Dit is het scenario. Het is kwart voor 12. Ik bedenk wat ik wil eten, meestal drie sneetjes brood met thee of koffie..Ik haal eerst de achterdeur van het slot. Dan maak ik het klaar, nonchalant staande aan het aanrecht. Ik zet de mok of het theeglas en mijn bordje op het kastje bij de achterdeur. Vervolgens zet ik een stoel voor de keukendeur, zodat ie open blijft staan. Onmiddellijk, als door een wesp gestoken schiet Pippi overeind, meteen gevolgd door GB Muffin. Ik schiet in de lach, open de benche en laat haar naar buiten. Muffin is dan uit zijn stoel gevlogen en het trapje af naar beneden. Voor de open keukendeur staat de nieuwsgierige Pippi te dralen. Ze wil super-graag naar buiten, maar achter de keukendeur bevindt zich een groot donker gat. In mijn mensenogen is het gewoon een donkerbruin trapje, maar dat ziet zij toch anders. En daarom stribbelt ze tegen als ik haar wil oppakken. Als ik haar omhoog heb, loop ik met haar het trapje af. De achterdeur door en het zonlicht in. Keten!
Ik neem mijn lunch mee en ga zitten. GB Muffin sloft in de rondte. Pippi snuffelt aan de poort, de nieuwe tuinpotten. Ze likt eens over een kiezelsteentje, steekt het in haar bekt en kauwt er op. Dan spuugt ze het uit en kijkt me aan. Haar ogen verraden teleurstelling en dat ze mij dat verwijt...
Even later, als ik de tuin in tuur over het rode hekje met de witte punten, komt ze aanzetten. Ze is nog geen 10 maanden, maar ze klemt de grote voetbal in haar smoel. Het lijkt op een enorme witte baard, beetje bol van onder. Ze stapt parmantig in het rond. En kijkt me aan met een blik van ´Dat had je niet gedacht he?. Als ik niet reageer, loopt ze ´ongeïnteresseerd´ rakelings langs GB Muffin. Dat gaat even goed, dan springt ie overeind en gaat achter haar aan. Ze geeft de bal echter niet zo maar af. Als hij dichterbij komt, draait ze net haar koppie met het ding weg, zodat ie misbijt. Dan doet ze het nog eens en nog eens.
Ook als ik haar ´belaag´, flikt ze me dat. Ik buig mijn knieën, krom mijn rug, spreid mijn armen. Ik zie dan mijn eigen schaduw, dreigend als een monster in een zwartwit film, op de stoep, terwijl ik naar haar toe sluip. Ze ligt prinsheerlijk languit met de bal klemvast. Als ik haar nader, gaat ze staan. Zo kan ze zich makkelijk wenden en draaien. Als ik de bal toch vast pak, met mijn twee handen, houdt ze die verbeten vast. Zij trekt er fanatiek aan, ik houd alleen vast. Haar ogen veranderen boven de bal. Soms hapt ze nog eens om de bal beter vast te kunnen pakken. Deze week beet ze daarbij ongewild in mijn duim. Ze kent haar eigen kracht nog niet.
Als ik ophoufy met dit spel en weer ga zitten, besef ik dat het toch anders is dan met GB Muffin. Het verschil is evident tussen het gedrag van een teef of een reu. Onze lab is nog wel jong, maar toch.
Het is en blijft, ondanks eeuwen van fokken en kruisen een dier met de oude genen van de wolf in zich. Onze snoezige blonde meid met donkerbruine ogen en een opgeruimd karakter? Ja zeker. Een wolfin dient zich een plek te veroveren in de natuur. Een domein afbakenen, waar ze zich veilig voelt. Waar voldoende beschutting is en ook voedsel. Pas dan komt meneer Wolf aan de beurt en mag hij haar bespringen, zodat ze na enige tijd haar wollige kleine wolfjes ter aarde brengt. Die ze verzorgt, met hand en tand verdedigt, maar ook leert op eigen poten te staan. Om dit te bereiken, moeten de kleine schatjes spelen. Een soort van voetbal. Bij gebrek aan beter nemen ze een tak. Die pakken ze elkaar af, laten hem weer los, slepen hem naar een eigen plek.
Hetzelfde wat mevrouw Wolf zelf ook doet met haar prooi. Ze sleept die mee, bergt hem op voor het avondmaal en verdedigt die met hand en tand. Als de buurvrouw komt kijken of er nog iets te bietsen valt uit de provisiekast, dan zal mevrouw Wolf dat niet zomaar toestaan. Ze trekken en bijten, ze laten hun tanden zien, letterlijk en vechten het uit als een strijd op leven en dood. Wat het voor hen en hun bloedjes ook is.
Ik vrees dat het in het menselijke leven ook zo gaat. Een voetbalwedstrijd is een zwak aftreksel van dit natuurverschijnsel. Het zijn dan ook meest mannen die dit spelen. Maar ook vrouwen spelen voetbal. Als jongen was ik wel eens op bezoek bij een tante. Haar dochter en twee andere nichtjes van mijn oom speelden ook voetbal. Ik was daar geen grote fan van. Het lag me niet en ik hield er niet van. Dus speelde ik het vrijwel nooit. Die ene keer liet ik me verleiden. Mijn broer en andere neven deden ook mee. Maar daaar is het ook bij gebleven. De vrouwen spelen zo fanatiek. Ze schopten de benen onder je kont uit, zonder aanziens des persoons. Een man was gewoon hetzelfde voor hen op dat moment als om het even welke speler. Ze schopten je waar ze je raken konden, ook op de edele delen. Met andere woorden, je ballen waren bont en blauw, je schenen ook, je knieën bloeiden, je neus deed zeer en je had wat haar minder op je kop. Een wervelwind over je heen had minder schade aangericht. Het zal niemand verbazen dat die lieve nichtjes op vrij hoog niveau speelden. In Spanje en andere ´buitenlanden´. Mannen spelen heel anders. Technisch veel beter. Ze willen winnen, ze willen scoren. Als ze dat doen, denken ze dat ze in aanzien stijgen bij de vrouwen. Vrouwen laten hen in die waan en wakkeren dat gevoel aan, veelal.
Mannen zijn vaak technisch beter. Ze willen de bal in het doel trappen. Vrouwen niet willen de ander vermorzelen, verbrijzelen en onder het gras douwen. Dan nemen ze de prooi mee naar hun hol. Een klein verschilletje. Ze zijn daarbij veel slimmer, geraffineerder, verleidelijker en gewoon sterker.
Ik zag het bij onze honden vandaag. Af en toe gooide of schopte ik de bal de verkeerde kant op. Liep Pippi vrolijk naar achter, dan legde ik de bal voor neer, waar GB Muffin was. Die pakte hem suffig op(hé een bal) en liep er mee rond, als een trofee. Als een speer verscheen Pippi(snel hersteld), draaide om hem heen en wachtte van alle kanten tot hij de bal liet vallen. Dan pakte ze hem vliegensvlug op, één keer zelfs door onder hem door het ding te grijpen en snelde de ander kant op. Ze draaide om hem heen, stootte hem aan met de bal en vloog weer weg. Knullige Muffin achter haar aan. Heel lief, dat wel onze ´grote broer´, zoals veel mannen. Zij was de kampioen! Onze jonge dochter. We gaan nog veel met haar beleven. Te beginnen met de voebalwedstrijden met boterham achterom. Jaja, ik ben ook een man, ik weet mijn plaats. Dank zij mijn dochter. Women rule the world. zelf in onze achtertuin.
woensdag 28 maart 2012
Knappe vrouw
Ik liep naar de bushalte. Onderweg pleegde ik een telefoontje. Ik keek naar de zonovergoten wei, de stad in de verte. Ik hoorde de auto´s razen. De kraaien pikten in de omgeploegde aarde. Voorbij de boerderij met de enorme herder en de garage aan de overkant, Voorbij het hoekhuis met het nieuwe dak. Toen ik aankwam, zat er een vrouw in de abri. Ik keek naar haar. Ze was van het grote huis. Daar waar de mensen opgevangen worden, die geen andere plek hebben. Omdat ze uit de gevangenis komen, dakloos zijn geworden of iets anders, wat er op lijkt. Meestal herken ik ze wel. Goedkope trainingspakken, dunne regenjacks. Hun gezichten zijn getekend. Sommige hebben wilde tatoëringen op hun armen. De meeste roken, zware shag. Ze kijken gelaten voor zich heen. Soms plagen ze elkaar met grote woorden. Branie-achtig.
Deze vrouw was anders. Ze zat op het bankje, de voeten naast elkaar. Haar haar fel-blond. Of deed de zon dat? Een ketting om haar hals met een woord er aan. Enorme glinsterende oorringen. Bling bling.
Het duurde lang voor de bus kwam. Ik verveelde me, keek op de vertrekstaat. Toen tuurde ik weer in de verte, waar de bus vandaan moest komen. De vrouw keek naar me op. Ze glimlachte. ´Voor mij mag-die wel komen´, zei ik. Ze antwoordde en keek nieuwsgierig naar mij. Ik hoorde dat ze niet het accent had van hier. ´Jij komt ook niet van deze kanten, geloof ik´.Ze beaamde het. We raakten in gesprek. In de verte draaide de bus lusteloos de straat in. Langzaam zette hij koers naar ons. We stapten in, ik liet haar voorgaan. Ze had een mooi figuur zag ik. We namen plaats aan weerszijden van het gangpad. De vrouw leek niet verder te willen praten, maar ik wel. We kregen het over haar stad, die niet ver van mijn dorp af lag. Ze woonde al lang in deze contreien. Onverbloemd vertelde ze dat ze niet geaccepteerd werd, zonder rancune. Ik zag de felheid in haar ogen oplichten toen ze zei, dat dat ook voor haar kinderen had gegolden, op school en zo. ´Het komt door hoe ik er uit zie. Mensen kijken alleen naar de buitenkant.´ Het was een gegeven voor haar, niet meer. Ik beaamde haar stelling. Ze bleek dus niet, o vooroordeel, te wonen waar ik dacht. En ook niet dakloos.
Ze huisde met haar gezin in een gewoon huis. Jaren had ze vrijwilligerswerk gedaan. Bij ouderen gekaart, gepraat, gelachen. Ze aandacht gegeven. Tot het niet meer lukte, vanwege haar gezondheid. ´Maar mensen zien dat niet, ze kijken naar het uiterlijk. En dan zijn ze niet meer geïnteresseerd.´ Het was waar, ze had hoogblond haar, tatoeages op de onderarm, nek en bovenarm. Ook haar wenkbrauwen en lippen waren getattoeeerd.
De bus kwam aan. Ik moest er uit. Wachten op een andere bus. Zij ging naar huis. Ik hield haar staande. Ze was een lief mens, een mooie lach. Haar uitstraling was erg zacht, in tegenstelling tot haar uiterlijk. Ze vertelde me over haar jeugd. Hoe ze misbruikt was door haar vader. Uit huis geplaatst, heel jong. Een pleeggezin. In een totaal andere omgeving. En later hoe ze door haar vent was mishandeld. Ze had gevochten met zichzelf. Met twee kinderen kon ze niet zomaar verdwijnen. Ze had haar best gedaan van hem te houden, de kinderen de vader te gunnen, die haar niet was gegund, toen. Maar langzaamaan begon ze te beseffen, dat ze hen moest beschermen. ´Ik heb veel gedaan. Veel geprobeerd´, vertelde ze. ´Coke, met, drank. Alles.´ `Waarom deed je dat?´ ´Ik moest het wel. Om het stil te krijgen. Hierboven.´ Ze wees naar haar hoofd. ´Ik heb een shitleven gehad. Het draaide maar in mijn hoofd. Ik kreeg het niet stil. Alles kwam maar terug. Zo kun je niet leven.´ Ik knikte. Ze vertelde over de stemmen in haar hoofd. Over psychologische hulp. ´Nu ben ik gestopt. Met alles.´ Ze gaf aan dat ze drie keer een poging had gedaan. Alle pillen en drank. Drie keer. En drie keer was het niet gelukt. ´En nu?´ ´Niks meer. Ik gebruik niks. Ik krijg steun. En slik nog pillen. Voor hierboven.´
´Ik vind dat erg knap van je´, zei ik. Ik meende het. ´Het is niet niks.´
Ze zei dat ze hulp kreeg. Voor de voedselbank en kledingbank. Daarvoor moest ze aantonen, dat ze niet boven de 40 euro per week uitkwam voor huishoudgeld. En dan kreeg ze permissie, één voor kleding, één voor de kleding. Maar de voedselbank zat een stuk verder op. Dat betekende de bus naar de stad, en een andere bus naar de andere kant van de stad. Kwam ze daar aan, kreeg ze een zakje chips. Ze nam en het aan en dacht: Ik moet geen chips, ik moet brood hebben, voor mijn kinderen. Nu heb ik zoveel busgeld betaald voor een zak chips. Ik ga niet meer. Een verstandige vrouw. Over de vernedering van het aanvragen, zei ze niks. Dat hoefde ook niet, ik las het in haar ogen. Ze glimlachte weer. Wat een kanjer. Wat een lieverd. Wat een moed.
Ik had haar bekend over mijn vooroordeel bij het bushokje. Ze keek me treurig aan. En ik verontschuldigde me voor mijn kortzichtigheid. De rest van de mensen in de bus trokken nog net niet hun neus op. Hun wenkbrauwen gingen omhoog toen ik met de vrouw sprak.
Ze moest naar huis. Ik moest verder wachten. Ze schonk me nog een glimlach. Ik groette haar met een ´ik zie je nog wel een keer´. Ik keek haar bewonderend na. Ze liep rechtop naar huis, verende tred, blij, luchtig. Of verbeeldde ik het me?
Deze vrouw was anders. Ze zat op het bankje, de voeten naast elkaar. Haar haar fel-blond. Of deed de zon dat? Een ketting om haar hals met een woord er aan. Enorme glinsterende oorringen. Bling bling.
Het duurde lang voor de bus kwam. Ik verveelde me, keek op de vertrekstaat. Toen tuurde ik weer in de verte, waar de bus vandaan moest komen. De vrouw keek naar me op. Ze glimlachte. ´Voor mij mag-die wel komen´, zei ik. Ze antwoordde en keek nieuwsgierig naar mij. Ik hoorde dat ze niet het accent had van hier. ´Jij komt ook niet van deze kanten, geloof ik´.Ze beaamde het. We raakten in gesprek. In de verte draaide de bus lusteloos de straat in. Langzaam zette hij koers naar ons. We stapten in, ik liet haar voorgaan. Ze had een mooi figuur zag ik. We namen plaats aan weerszijden van het gangpad. De vrouw leek niet verder te willen praten, maar ik wel. We kregen het over haar stad, die niet ver van mijn dorp af lag. Ze woonde al lang in deze contreien. Onverbloemd vertelde ze dat ze niet geaccepteerd werd, zonder rancune. Ik zag de felheid in haar ogen oplichten toen ze zei, dat dat ook voor haar kinderen had gegolden, op school en zo. ´Het komt door hoe ik er uit zie. Mensen kijken alleen naar de buitenkant.´ Het was een gegeven voor haar, niet meer. Ik beaamde haar stelling. Ze bleek dus niet, o vooroordeel, te wonen waar ik dacht. En ook niet dakloos.
Ze huisde met haar gezin in een gewoon huis. Jaren had ze vrijwilligerswerk gedaan. Bij ouderen gekaart, gepraat, gelachen. Ze aandacht gegeven. Tot het niet meer lukte, vanwege haar gezondheid. ´Maar mensen zien dat niet, ze kijken naar het uiterlijk. En dan zijn ze niet meer geïnteresseerd.´ Het was waar, ze had hoogblond haar, tatoeages op de onderarm, nek en bovenarm. Ook haar wenkbrauwen en lippen waren getattoeeerd.
De bus kwam aan. Ik moest er uit. Wachten op een andere bus. Zij ging naar huis. Ik hield haar staande. Ze was een lief mens, een mooie lach. Haar uitstraling was erg zacht, in tegenstelling tot haar uiterlijk. Ze vertelde me over haar jeugd. Hoe ze misbruikt was door haar vader. Uit huis geplaatst, heel jong. Een pleeggezin. In een totaal andere omgeving. En later hoe ze door haar vent was mishandeld. Ze had gevochten met zichzelf. Met twee kinderen kon ze niet zomaar verdwijnen. Ze had haar best gedaan van hem te houden, de kinderen de vader te gunnen, die haar niet was gegund, toen. Maar langzaamaan begon ze te beseffen, dat ze hen moest beschermen. ´Ik heb veel gedaan. Veel geprobeerd´, vertelde ze. ´Coke, met, drank. Alles.´ `Waarom deed je dat?´ ´Ik moest het wel. Om het stil te krijgen. Hierboven.´ Ze wees naar haar hoofd. ´Ik heb een shitleven gehad. Het draaide maar in mijn hoofd. Ik kreeg het niet stil. Alles kwam maar terug. Zo kun je niet leven.´ Ik knikte. Ze vertelde over de stemmen in haar hoofd. Over psychologische hulp. ´Nu ben ik gestopt. Met alles.´ Ze gaf aan dat ze drie keer een poging had gedaan. Alle pillen en drank. Drie keer. En drie keer was het niet gelukt. ´En nu?´ ´Niks meer. Ik gebruik niks. Ik krijg steun. En slik nog pillen. Voor hierboven.´
´Ik vind dat erg knap van je´, zei ik. Ik meende het. ´Het is niet niks.´
Ze zei dat ze hulp kreeg. Voor de voedselbank en kledingbank. Daarvoor moest ze aantonen, dat ze niet boven de 40 euro per week uitkwam voor huishoudgeld. En dan kreeg ze permissie, één voor kleding, één voor de kleding. Maar de voedselbank zat een stuk verder op. Dat betekende de bus naar de stad, en een andere bus naar de andere kant van de stad. Kwam ze daar aan, kreeg ze een zakje chips. Ze nam en het aan en dacht: Ik moet geen chips, ik moet brood hebben, voor mijn kinderen. Nu heb ik zoveel busgeld betaald voor een zak chips. Ik ga niet meer. Een verstandige vrouw. Over de vernedering van het aanvragen, zei ze niks. Dat hoefde ook niet, ik las het in haar ogen. Ze glimlachte weer. Wat een kanjer. Wat een lieverd. Wat een moed.
Ik had haar bekend over mijn vooroordeel bij het bushokje. Ze keek me treurig aan. En ik verontschuldigde me voor mijn kortzichtigheid. De rest van de mensen in de bus trokken nog net niet hun neus op. Hun wenkbrauwen gingen omhoog toen ik met de vrouw sprak.
Ze moest naar huis. Ik moest verder wachten. Ze schonk me nog een glimlach. Ik groette haar met een ´ik zie je nog wel een keer´. Ik keek haar bewonderend na. Ze liep rechtop naar huis, verende tred, blij, luchtig. Of verbeeldde ik het me?
dinsdag 27 maart 2012
VRAAG
als je als man een stel vrouwen naar een ander land smokkelt, ze hun paspoort afneemt, ze daar laat misbruiken door andere mannen om er geld aan te verdienen en ´tussendoor´ er eentje aan een verwarming vastketent, ze geen eten en drinken geeft, wat zegt dat dan over jou? als man, als mens? over jouw waardigheid als mens, als empatisch wezen, als moreel geval?
ik zoek een kotszakje....wat nou als jij achter een raam tentoongesteld zou worden, bekeken, gekeurd en dan betast, gepenetreerd en ze zeggen dat je moet glimlachen, gewillig zijn en je best moet doen, terwijl je geen kant op kunt...en wat nou als jij aan een verwarmingsbuis hangt zonder eten of drinken, erger dan een dier, omdat je protesteert, nog iets van je waardigheid laat klinken?
ik zoek een kotszakje....wat nou als jij achter een raam tentoongesteld zou worden, bekeken, gekeurd en dan betast, gepenetreerd en ze zeggen dat je moet glimlachen, gewillig zijn en je best moet doen, terwijl je geen kant op kunt...en wat nou als jij aan een verwarmingsbuis hangt zonder eten of drinken, erger dan een dier, omdat je protesteert, nog iets van je waardigheid laat klinken?
Abonneren op:
Posts (Atom)